donderdag 3 oktober 2013

Nadert de ‘War on Terror’ zijn einde?

Begin september leek het een kwestie van dagen of de regering-Obama zou de Amerikaanse vlooteenheden in de Middellandse Zee opdracht geven, een bombardement op doelen in Syrië te beginnen. Frankrijk en Engeland, al langer voorstander van militaire interventie, stonden eveneens klaar in te grijpen. Inmiddels is door behendig manoeuvren van de Russen de lucht in zoverre opgeklaard dat het Westen zich gecommitteerd heeft aan een diplomatieke oplossing van de slepende oorlog, in het verlengde van de Syrische bereidheid, het chemische wapenarsenaal te laten vernietigen. Daarnaast heeft met de de verkiezing van een president in Iran die tot onderhandelen bereid is, ook de oorlogsretoriek tegen dat land een holle klank gekregen. Net als in Syrië had het Westen tot nu toe met sancties en steun aan opstandelingen en terreurgroepen, ook Iran op de korrel; maar ook hier lijkt het erop dat de lucht uit de band is gelopen.


Deze koerswijziging vertoont alle kenmerken van een historische ommezwaai. Niemand die zich daar beter van bewust is dan de Likoed-regering in Israël, die het vuur rond Iran voortdurend heeft opgestookt en furieus reageerde op het vriendelijk optreden van president Rohani in New York, met als dieptepunt een door Israëlische diplomaten opgestelde web-biografie waarin Rohani zichzelf aanprijst als oplichter. Netanyahu reist deze week naar Washington om Obama te bezweren de confrontatiepolitiek voort te zetten. 


De Israëli’s hebben dan ook alle reden om het afblazen van een nieuwe ronde oorlog in het Midden-Oosten als een teken aan de wand te zien, mogelijk het begin van het einde van de ‘War on Terror’. Ze hebben immers zelf aan de wieg van die kruistocht gestaan.

Het idee voor een Oorlog tegen de Terreur onder Amerikaanse leiding gaat terug naar een reeks conferenties tussen 1979 en 1984, lang voor ‘9/11’ en de aanslagen in New York en Washington. De eerste conferentie, onder auspiciën van het Jonathan Instituut (genoemd naar de broer van Benjamin Netanyahu die omkwam bij de aanval op een gekaapt Israëlisch passagiersvliegtuig op de luchthaven van Entebbe), werd gehouden in Jeruzalem en geopend door toenmalig premier Menachem Begin, die met zijn Likoed-partij twee jaar eerder aan de regering was gekomen. 

Israël was na de oorlogen van 1967 en ’73 in bezit gekomen van een aantal gebieden veroverd op buurlanden—de Westelijke Jordaanoever inclusief Oost-Jeruzalem op Jordanië, de Golan-hoogte op Syrië, alsmede de inmiddels teruggegeven Sinaï en de Gazastrook. De oorlog van 1973 was echter een zwaar bevochten Israëlische overwinning, die zonder Amerikaanse steun mogelijk zelfs niet behaald zou zijn. En dat de Palestijnen net als in 1948 uit het oorspronkelijke Israël, ook van de Westoever verjaagd konden worden, leek evenmin waarschijnlijk. Zoals alle bezettingsmachten in de moderne geschiedenis kwalificeert Israël verzet als terrorisme, maar zolang de Palestijnen kunnen terugvallen op een Arabisch en/of Islamitisch achterland, waarin ook grote delen van de oorspronkelijke bevolking van Palestina toevlucht hebben gezocht, zal de opgave om dit ‘terrorisme’ te verslaan niet door Israël alleen zou kunnen worden gerealiseerd. Vandaar de poging om middels de genoemde conferenties, de Amerikanen (en de Britten) aan boord van te krijgen van een groots-opgezet project waarin een coalitie van landen het ‘terrorisme’ de oorlog zou verklaren.

De natuurlijke partners in deze onderneming waren de tegenstanders van de ontspanningspolitiek van Henry Kissinger, de ‘NeoConservatives’, voormalige ‘liberals’ die na de oliecrisis en de oorlog van 1973 waren omgezwaaid naar een harde Koude-Oorlogslijn. De conferentie van 1979 werd bijgewoond door twee delegaties uit de VS, één geleid door de ‘Senator voor Boeing’, Henry Jackson, de andere door George H.W. Bush, voormalig CIA-directeur en oliebaron, en toen nog presidentskandidaat voor de verkiezingen van 1980 die uiteindelijk door Reagan werden gewonnen. De conferentie stond in het teken van het uitroepen van een Oorlog tegen de Terreur, die gevoerd zou moeten worden door staten aan te vallen die ‘het terrorisme’ steunen. Tevens zou een inlichtingensysteem moeten worden opgezet om terroristen op te sporen, ook in de VS zelf, waaraan burgelijke vrijheden helaas geofferd zouden moeten worden. ‘Moskou’ werd unaniem aangeduid als het commandocentrum van het wereld-terrorisme. 

Na een vervolg-conferentie in Washington in april 1980 en de verkiezing van Reagan, die Bush als vice-president had geaccepteerd, plaatste Reagans minister van buitenlandse zaken, Al Haig, het officiële stempel op de nieuwe politiek toen hij in een State Department Current Policy document het terrrorisme, dat zijn hoofdkwartier in Moskou had, als grootste bedreiging voor de wereldvrede aanmerkte. Daarbij baseerde hij zich op de drukproeven van Claire Sterlings boek over de KGB, The Terror Network, hoewel dat boek, naar later werd onthuld door Bob Woodward, gebaseerd was op disinformatie die door de CIA eerder in omloop was gebracht.

In hetzelfde jaar 1981 gaf Israël een proeve van het ‘achtervolgen van terroristen’ door Palestijnse doelen in Libanon aan te vallen, officieel als vergelding voor de aanslag op de Israëlische ambassadeur in Londen. Uiteindelijk leidden deze vijandelijkheden tot een volledige militaire bezetting van Zuid-Libanon die tot 2000 zou voortduren. Door Israël buitgemaakte PLO-documenten werden door twee deelnemers aan de conferentie in Jeruzalem, Ray Cline, Bush’ tweede man in de CIA, en de terrorisme-expert van de State University of New York, Yonah Alexander, gebruikt voor een boek (Terrorism: The Soviet Connection, 1984) en een rapport voor de Amerikaanse Senaat, State-Sponsored Terrorism. Daarin legden zij uit de de term ‘nationale bevrijdingsbeweging’ Sovjet-progaganda was—niet zo moeilijk natuurlijk.

Tegen deze achtergrond werd in 1984 in Washington opnieuw een conferentie van het Jonathan Instituut gehouden, voorgezeten door Benjamin Netanyahu, toentertijd Israëls ambassadeur bij de VN. In aanwezigheid van George Schultz, Haigs opvolger als minister van buitenlandse zaken, Reagans vriend en minister van justitie Ed Meese, FBI Directeur William Webster, en de Israëlische minister van defensie, Yitzhak Rabin, alsmede een schare Amerikaanse en Britse parlementsleden, wetenschappers, en journalisten (zowel Sterling als Woodward namen aan de conferentie deel) onderstreepte Netanyahu dat de grootste bedreiging voor de democratie uitging van het wereldwijde terreurnetwerk georganiseerd door het communistische totalitarisme en het Islamitisch radicalisme, een netwerk dat van de VN alle ruimte had gekregen doordat de wereldorganisatie ‘nationale bevrijding’ accepteerde als dekmantel voor het terrorisme. 

De papers voor deze conferentie en de discussies achteraf, in boekvorm uitgegeven met Netanyahu als redacteur, bevatten gloedvolle beschrijvingen van de op handen zijnde overval op de vrijheid door de Sovjet-Unie; deze hebben echter door het aantreden van Gorbatsjov een jaar later iets aan relevantie ingeboet. Voor ons belangrijker zijn de drie andere hoofdlijnen van de conferentie van 1984, nl. een voorwaartse defensie tegen het terrorisme; het voorkomen dat de media achtergronden van terrorisme onderzoekt; en de noodzaak om de wereld wakker te schudden door een grote aanslag, die net als Pearl Harbor de noodzaak van oorlog aan iedereen duidelijk zou maken.

Ten aanzien van het eerste punt werd de Israëlische invasie van Libanon aangeprezen als een waarschuwing aan ‘de moordenaars in Teheran en Tripoli’. Schultz wees zelfs op het bestaan van een Bond van de Terreur, met Libië, Syrië, Iran en Noord-Korea als leden, en onderstreepte de noodzaak van preventieve oorlogen tegen deze landen. Want zoals de Republikeinse senator Paul Laxalt verklaarde, ‘als we ontdekken dat Libië of Iran een kernwapen bezitten..., zijn we dan echt verplicht om te wachten tot dat wapen gebruikt wordt?’

Op het punt van de media-strategie prees de adjunct-hoofdredakteur van de Londense Times, John O’Sullivan, de manier waarop de schandaalpers terreuraanslagen verslaat: zoveel mogelijk horror en bloedige details, geen achtergronden, dat werkt alleen maar ter verontschuldiging van de daders. In dit opzicht kon TV-presentator Ted Koppel hem geruststellen: een Oorlog tegen de Terreur zou met een officiële oorlogsverklaring gepaard gaan, en die zou allerlei wettelijke beperkingen kunnen opleggen aan de media, iets wat in Vietnam, waar nooit de oorlog was verklaard, niet mogelijk was gebleken. Als eenmaal een noodtoestand is afgekondigd, zijn er legio mogelijkheden om de berichtgeving in goede banen te leiden. Maar wat moet er gebeuren om een noodtoestand af te kondigen?

Dit was het derde thema op de conferentie van 1984, en Netanyahu nam dat zelf voor zijn rekening. ‘Het terrorisme verloopr volgens een onstuitbare, ingebouwde escalatie,’ aldus zijn analyse. ‘Om effectief te zijn, moet het voortdurend schokken en verbijsteren. Zodra we gewend zijn aan een bepaald niveau van geweld, is er weer een nieuwe verschrikking nodig om ons gevoel een schok te bezorgen. Het was lange tijd voor terroristen voldoende om een vliegtuig te kapen om internationaal aandacht te krijgen; toen werd het noodzakelijk, een paar gijzelaars te doden; in de toekomst zal meer geweld noodzakelijk zijn.’ Alleen als er een grote klap zou worden uitgedeeld, gevolg door een ‘succesvolle oorlog tegen het terrorisme, ... niet alleen maar lukrake antwoorden op indiiduele terreurdaden’, zouden de VS in staat zijn met ‘twee of drie’ andere landen een ‘bondgenootschap tegen het terrorisme te vormen’ die de daders ‘geloofwaardig zou kunnen bedreigen en ... de neutrale staten zou kunnen dwingen hun neutraliteit te laten varen’.

Op de conferentie in Jeruzalem vijf jaar daarvoor had ook Bush Sr. gepleit voor een ‘drastische chirurgische ingreep’, maar hij had zich nog wel afgevraagd of het liberale geweten van de ‘open maatschappij’ de noodzakelijke versterking van de staat niet in de weg zou staan. Netanyahu kon dit bezwaar in 1984 pareren door erop te wijzen dat als de klap maar groot genoeg zou zijn, de burgers in de democratieën, in angst opeen gedreven, zichzelf zouden gaan beschouwen als ‘soldaten in een gemeenschappelijke strijd’ en bereid zouden zijn offers te brengen en pijn te lijden.

De internationale politiek wordt niet alleen door de VS en Israël gedicteerd, ook niet in het Midden-Oosten. Na de instorting van de Sovjet-Unie moest het anti-terreurverhaal worden herschreven en daarbij waren de ideologen van de Democratische partij zoals Zbigniew Brzezinski en Samuel Huntington, aan het woord. Laatstgenoemde leverde met zijn ‘Clash of Civilizations’ een nieuw script. Daarin wordt de rol van Moskou als sponsor van het Islamitische terrorisme aan China toebedeeld. Dat in beide gevallen deze connectie totaal ongeloofwaardig was en is, is secundair; als de defensieuitgaven maar op peil blijven. Daartoe was binnen een jaar na het strijken van hamer-en-sikkel vlag op het Kremlin door de NeoCons middels de Defence Planning Guidance een nieuwe defensie-strategie aangedragen, die na aanvankelijke aarzeling tot de dag van vandaag de toon heeft gezet. 

In de jaren negentig volgden de voorspellingen van deskundigen in gezaghebbende tijdschriften zoals Foreign Affairs dat er een nieuw Pearl Harbor op handen was, elkaar snel op, waarbij de aanbeveling van de genoemde conferenties om een Oorlog tegen de Terreur af te kondigen voortdurend werden herhaald. De grote klap kwam op 9/11, het vervolg is bekend. Laat ik er voor alle duidelijkheid bij zeggen dat ik niet weet wie de verantwoordelijkheid voor de aanslagen draagt, al zou ik mijn geld niet op Bin Laden zetten en de Amerikanen ook niet, anders hadden ze hem niet ter plaatse geëxecuteerd maar meegenomen voor rechtsvervolging.

Belangrijker is dat de Oorlog tegen de Terreur, die het Midden Oosten en Noord-Afrika in brand heeft gestoken, zijn oorsprong heeft in de poging van de Likoed in Israël, de VS dit pad op te sturen om haar politiek in de bezette gebieden rugdekking te verschaffen—en dat daarvoor in Washington ook de bereidheid toe bestond. In de tussentijd is de kolonisering van de Westelijke Jordaanoever zover voortgeschreden dat een ‘Palestijnse staat’ alleen in de ogen van de corrupte Fatah-leiding nog geloofwaardig is. 


Maar als de ‘War on Terror’, zoals het er nu naar uitziet, in een fase van afbouw is aangeland (al was het maar omdat Amerika economisch en politiek aan de grond zit), dan zal dit ook in bredere kring duidelijk worden. Daarom moet Netanyahu, die dit verband als geen ander zal inzien, naar Washington om de zaken recht te zetten.

Kees van der Pijl

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen