zondag 10 april 2016

Discussiepunten over het Associatieaccoord (1). Soevereiniteit

In de discussies in de campagne voor het referendum over Oekraïne werd door diverse Ja-stemmers verwezen naar de ‘soevereiniteit’ van dat land. Met andere woorden, het recht om voor het Westen te kiezen. 


Een staat is soeverein als hij zelfstandig zijn positie in de internationale verhoudingen bepaalt. Dat is een principe dat werd vastgelegd bij de Westfaalse verdragen in 1648 (de vredesverdragen van Münster en Osnabrück die een eind maakten aan resp. de 80-jarige en de 30-jarige oorlog).

In de eeuw daarvoor hadden Bodin en Botero, in zekere zin ook Hugo de Groot, dit principe theoretisch voorbereid.

Dit is de definitie van soevereiniteit die door de NAVO en EU wordt gehanteerd bij hun streven om Oekraïne in het Westerse blok te trekken. In het grote debat in Delft op 4 april herinnerde VVD-kamerlid Ten Broeke mij eraan dat ik als politicoloog toch wel moest weten ‘wat soevereiniteit betekent’. 

Als het bij de Westfaalse verdragen was gebleven zou ik hem gelijk hebben moeten geven. In Münster en Osnabrück werd de vrede gesloten tussen onze republiek, de Franse en Zweedse monarchieën, de Duitse keizer, een aantal steden en politiek onafhankelijke bisschoppen, en ga zo maar door.

In de periode die volgde, werd dan ook opnieuw het begrip soevereiniteit tegen het licht gehouden. Want het ‘droit divin’, het goddelijk recht van de absolute vorsten zoals Lodewijk XIV van Frankrijk (‘de staat, dat ben ik’), gold bijvoorbeeld niet voor onze republiek.

Het antwoord kwam uit Engeland, dat in 1648 in een burgeroorlog was verwikkeld die pas in 1688 zou worden beslecht met een compromis gebaseerd op de ideeën van John Locke. Locke betoogde dat de soevereiniteit berust bij degenen die eigendom hebben, en dat de staat er is om die eigendom te beschermen. Dat idee werd bekroond met de aanstelling van de Nederlandse Willem van Oranje als koning, maar dan wel als een soort stadhouder net als in de Republiek, want hij moest accepteren dat zijn nazaten geen recht op de troon zouden hebben.

In de eeuw die volgde, de ‘Verlichting’, reisden veel denkers naar Engeland om met eigen ogen te zien hoe een vorst ‘in dienst’ was van het parlement van eigenaars. Voltaire, Montesquieu, en anderen trokken hieruit de conclusie dat de soevereiniteit berust bij de bezittende klasse, en Rousseau ging nog een stapje verder—de soevereiniteit berust bij het volk.

Dit idee triomfeerde in de Amerikaanse afscheiding van 1776 en in de Franse Revolutie dertien jaar later, en is nog vandaag de dag de grondslag van het moderne begrip van soevereiniteit—ook al schommelt het in de praktijk heen en weer tussen een soevereiniteit van de bezittende klasse en een werkelijke democratie. De soevereiniteit naar buiten is daarvan een afgeleide; de diplomatieke soevereiniteit van een staat die de volkssoevereiniteit ontkent, erkennen wij niet.

Daarom gaat het in Oekraïne natuurlijk niet over de definitie van 1648—dat zou betekenen dat als je maar de macht in de hoofdstad weet te pakken, je verder alle beslissingen mag nemen naar eigen inzicht. De soevereiniteit moet ook in Oekraïne berusten bij het volk. Als de helft van dat volk van zijn stem wordt beroofd door een staatsgreep en er zelfs oorlog tegen wordt gevoerd, is er geen soevereiniteit want dat is zonder democratie een lege huls.

En niet alleen in Oekraïne wordt de soevereiniteit in die zin ondermijnd, maar ook hier.

Ook dat is de betekenis van het Nee in het Oekraïne-referendum.

Kees van der Pijl

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen