dinsdag 17 juni 2014

De ISIL-opmars in Irak—laatste bedrijf van de invasie van 2003?


Dezer dagen wordt de misdadigheid van de invasie van Irak in 2003 nog eens scherp in het daglicht gesteld door de opmars van de fanatici van de ‘Islamitische Staat van Irak en de Levant’ (ISIL, soms ook ‘en Syrië’, ISIS—‘de Levant’ sluit ook Libanon daarbij in). De standrechtelijke executies van militairen van het regeringsleger, hoe gruwelijk ook, mogen daarbij niet de aandacht afleiden van de hoofdverantwoordelijken voor wat zich hier afspeelt—George W. Bush, Rumsfeld en Cheney in de VS, Tony Blair en Jack Straw in Engeland, en dan de medeplichtigen in Europa, van Berlusconi en Aznar tot onze eigen Balkenende en De Hoop Scheffer. 


De ongeslagen brutaalste van het hele stel is natuurlijk Blair, die tot woede van de Britse Conservatieven nog eens onderstreepte dat wat er nu gebeurt, niets te maken heeft met de invasie. Die woede, verwoord door de burgemeester van Londen, Boris Johnson, vloeit niet voort uit een veroordeling van die invasie, maar uit de vrees dat Blair door zijn brutale uitspraken teveel anti-interventiegevoel zal losmaken. 


Want Washington en Londen willen namelijk… opnieuw interveniëren. Laten we niet vergeten dat de ISIL/ISIS ook de achterdeur is naar Syrië, en de Anglo-Amerikaanse politiek is er op uit, de jihadisten te neutraliseren tot het punt waar de ‘gematigde oppositie’ in Syrië weer een militaire factor tegen Assad kan gaan vormen.

Obama en Cameron willen dus niet zozeer iets rechtzetten in Irak, maar hun regimewisseling daar stabiliseren (o.a. door de geëiste verbreding van de regering-Maliki) en de vastgelopen regimewisseling in Syrië nieuw élan bezorgen.

Wat de invasie van Irak heeft bereikt, is het vernietigen van de staat in dat land. Door het ontbinden van leger en politie en het naar huis sturen van het ambtenarenapparaat, de ingenieurs van de staatsoliemaatschappij enz., werd het land teruggestoten naar de toestand die vooraf gaat aan de vorming van een moderne staat—een situatie waarin het gezag berust bij stamhoofden en andere lokale machthebbers, die op hun beurt weer langs etnische en religieuze scheidslijnen zijn gegroepeerd. Koerden en Arabieren, Moslims en Christenen, Sji’itische en Soenni-Moslisms, enz.

Ooit werd in de Engelse burgeroorlog door Thomas Hobbes in zijn boek Leviathan (1651) beschreven hoe zulke scheidslijnen nu juist door de moderne staat worden opgeheven.


Op de beroemde omslag van de Leviathan zie je (een vergrootglas komt daarbij goed van pas), hoe de bewoners van de door burgeroorlog verscheurde Britse eilanden opgaan in de boven alles uitstijgende figuur van de almachtige staat en stalen schakeltjes worden in diens maliënkolder. In zo’n staat zijn de inwoners staatsburger, en alle andere bijzonderheden die ze hebben (dus hun godsdienst, regionale verschillen, taal, clanverbanden, noem maar op) worden naar de privé-sfeer verwezen. ‘Dat doe je maar in je eigen tijd’. Het beeld is prachtig: van onruststokers worden de inwoners als burger onderdeel van de ‘bepantsering’ van de staat.

Hobbes meende dat een sterke staat die zijn wil oplegt aan de bevolking, de enige manier is om een nooit aflatende burgeroorlog te voorkomen. Wié precies de sterke staat instelt, is niet de hoofdzaak. Hobbes was een monarchist en hoopte dat de koning dit zou doen, maar in de praktijk hadden Oliver Cromwell en zijn fanatieke Calvinisten, fundamentalisten zouden we nu zeggen, een veel groter aandeel. Uiteindelijk werd een compromis gevonden (en de burgeroorlog beëindigd) in de nasleep van de regimewisseling door de Nederlandse stadhouder Willem III die in 1688 naar Engeland overstak en het koningsschap op zich nam—nadat hij getekend had dat zijn nazaten hem niet op de troon zouden opvolgen, want het parlement in Westminster, het bolwerk van de opkomende handelsklasse, wilde geen sterke vorst die dure oorlogen zou gaan voeren. 

Honderden jaren daarvoor en honderden jaren daarna heeft zich op die wijze een staat kunnen ontwikkelen die ook werkelijk de macht heeft—ogenschijnlijk een liberale staat die op consensus aanstuurt, maar die als hij bedreigd wordt, nog altijd onder zijn burgerkledij het maliënkolder van de Leviathan draagt. 

Het voert te ver om hier te gaan ontleden, hoe in het Midden Oosten, toen het Ottomaanse (Turkse) Rijk in 1918 uiteenviel, geprobeerd is óók zulke staten te vestigen, in eerste instantie als quasi-koloniën van Frankrijk (Libanon, Syrië) en Groot Brittannië (Palestina inclusief Jordanië, Irak en Koeweit). Door het uitroepen van de staat Israël in 1948 en het verdrijven van de Palestijnen, werd in de omringende landen het proces van staatsvorming versneld: ‘nationalistische’ militairen grepen de macht in Egypte (Nasser), Syrië, en Irak. 

Anno 2014 is praktisch alles wat er in die landen, door een centraal gezag dat met harde hand regeert (net als ooit Cromwell in Engeland), is bereikt op het punt van staatsvorming, ongedaan gemaakt. Israël is door onophoudelijke oorlogen in een militaristisch, racistisch bastion veranderd; Egypte is weer een militaire dictatuur, net als Israël en Jordanië op de been gehouden door Amerikaanse subsidies. Syrië en Irak, de twee laatste landen in de regio die op weg waren een moderne staat te worden (maar nog in het stadium verkeerden waarin die staat in handen is van één bepaalde groep die een dictatoriale macht uitoefent) zijn net als Libië door het Westen in de afgrond gestort en verbrokkelen tot wat ze waren vóór dat proces begon—lappendekens van verschillende religieuze en etnische groepen, stammen en clans—maar nu met kalasjnikovs en onbeperkte geldmiddelen van hun buitenlandse sponsors. 

Bush c.s., Blair en zijn vrienden, maar ook onze Balkenende, moeten voor het gerecht om zich te verantwoorden over deze onuitsprekelijke misdrijven, die behalve misdaden tegen de vrede (inclusief oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid) ook nog eens misdaden tegen de geschiedenis zijn. Begaan uit bijna niet te bevatten arrogantie en domheid. 

Kees van der Pijl

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen