
Het vermogen van de Verenigde Staten en de ‘Five Eyes’ en hun partners om de eigen bevolking te bespioneren kreeg een forse duw door de revolutie in de informatietechnologie (IT). Deze had haar brandpunt in de VS omdat alleen daar zo’n ontwikkeling gefinancierd kan worden met tekorten en als onderdeel van militaire uitgaven. In de jaren 80 financierde het defensie-onderzoeksbureau DARPA het onderzoek naar kunstmatige intelligentie aan de universiteit van Stanford in Californië, omdat de VS toen al plannen hadden om alle computer databases in het land te controleren. Reagans Nationale Veiligheidsadviseur, Admiraal John Poindexter, die daarbij betrokken was, moest opstappen vanwege het Iran-Contra schandaal, maar hij zou later hoofd worden van het bureau voor ‘Totaal Informatiebewustzijn’ binnen DARPA.
Net als Orwells ‘teleschermen’ waren de ontwikkelingen in de Amerikaanse IT-industrie bedoeld om naar twee kanten te werken: enerzijds om informatie te vergaren, anderzijds om propaganda te verspreiden. In 1989 werd een strategie voor ‘informatieoorlog’ (Engels, ‘IW’) ontwikkeld om tegenstanders te intimideren en bondgenoten (ook hun burgers) ervan te overtuigen dat de Amerikaanse resp. westerse zaak ‘rechtvaardig’ is. Er werd een uitgebreid netwerk van contacten opgezet tussen de machtigste spionagediensten van het Pentagon zoals de NSA en de DIA (Defense Intelligence Agency) enerzijds, en een reeks privébedrijven, onder andere Booz Allen (werkgever van Edward Snowden) anderzijds, met als doel om Totaal Informatiebewustzijn mogelijk te maken. Alles wat er geweten kan worden moet het eerst bekend zijn bij de VS en de inlichtingendiensten van de 'Five Eyes’.

















